Ga naar de inhoud

Lucien Neirynck

Doelhofstraat 9, Nieuwmunster

Lucien Neirynck werd geboren op 1 november 1926. Hij was de zoon van Henri Neyrinck en Sylvie Schaepdryver. Het gezin woonde in de Doelhofstraat in Nieuwmunster (Zuienkerke) en telde zestien kinderen. Tien kinderen bereikten de volwassen leeftijd. Zowel vader Henri als zoon Lucien waren actief in het Verzet, bij de groep Beernem van het Geheim Leger. Toen de Duitsers op zoek waren naar vader Henri, maar hem niet vonden, arresteerden ze zoon Lucien en deporteerden hem naar Duitsland. Lucien stierf in het concentratiekamp Mauthausen, aan uitputting en ziekte, op amper zeventienjarige leeftijd.

Vader Henri, actief in het Geheim leger

Henri Neirynck, de vader van Lucien, was verpleger in het psychiatrisch centrum van de Broeders van Liefde in Beernem, het Sint-Amandusinstituut. Hij was lid van het Geheim Leger, Groep Beernem. Het Geheim Leger ontstond uit heel wat verschillende lokale verzetskernen die geleidelijk aan samen smolten. Ze zochten en vonden contact met de Belgische regering in Londen en opereerden vanaf voorjaar 1944 onder de naam ‘Geheim Leger’ of ‘Armée Secrète’. De opdracht van het Geheim Leger bestond voor de geallieerde landing uit het zich voorbereiden op die landing: inlichtingen verzamelen, mannen trainen, wapens verzamelen, op bevel van Londen sabotage plegen. Kort voor de landing in Normandië op 6 juni 1944 kreeg het Geheim Leger de opdracht actiever te worden: treinverkeer verstoren, bruggen vernielen, troepentransporten bemoeilijken, telefoonlijnen doorknippen… Kortom, op allerlei manieren de bewegingen van de Duitsers hinderen en de opmars van de Geallieerde troepen vergemakkelijken. Tijdens en na de bevrijding hielp het Geheim Leger de geallieerde troepen ook met gids- en verkenningsopdrachten of het bewaken van krijgsgevangenen.

Sabotage-acties

Ook de Groep Beernem ondernam heel wat sabotage-acties. Ze knipten meerdere keren de telefoonlijn langs de spoorweg Brugge-Aalter door, net als de ondergrondse telefoonlijn langs kanaal Brugge-Gent, tussen Moerbrugge en Beernem, en een ontdubbeling van die lijn in Sijsele. Het saboteren van zo’n telefoonlijn is een gevaarlijke en moeilijke klus. In getuigenissen van andere groepen wordt verteld hoe dat eraan toe ging: één man beklom de telefoonpaal, een vijftal anderen hielden in een cirkel van honderd meter rond die paal de wacht, gewapend met stenguns of pistolen. Twee of drie draden werden doorgeknipt, maar niet alle draden, omdat anders de paal omver zou vallen. Het doorknippen van een draad veroorzaakte een ver dragend geluid, zodat de Duitsers vaak meteen gewaarschuwd werden en de saboteurs snel moesten verdwijnen. De schade kon meestal snel hersteld worden, waardoor de sabotage vaak herhaald moest worden.

In de nacht van 6 op 7 juli 1944 werden de saboteurs van de groep Beernem betrapt door een Duitse patrouille bij het doorknippen van een telefoonlijn in Sijsele. Er ontstond een vuurgevecht waarbij drie Duitsers zouden getroffen zijn. De saboteurs konden ontsnappen.

Het Sint-Amandusinstituut: draaischijf van het verzet

Begin 1944 moest de familie Neirynck op bevel van de Duitsers uit de kuststreek vertrekken. De Duitsers waren volop bezig met het uitbouwen van hun Atlantikwall, zetten grote delen van de polders onder water en wilden niet te veel pottenkijkers. De familie Neirynck vond onderdak op het domein van de Broeders van Liefde in Beernem. In de gebouwen van het Sint-Amandusinstituut vonden, naast de 1000 tot 14000 patiënten, ook veel onderduikers een schuilplaats. Henri Neirynck nam de leiding in het zorgen voor noden van de onderduikers. Op het domein werden ook heel wat voorraden en materiaal van het Geheim Leger opgeslagen. Daarbij was ook het materiaal dat nodig was om de geplande droppings op de nabijgelegen droppingsplaats ‘ Le Gaie’ in ontvangst te nemen. Vlakbij het instituut, bij de herberg ‘De Bolzak’ was een plek in gereedheid gebracht waar de geallieerde vliegtuigen wapens en voorraden zouden kunnen droppen voor het verzet. De droppingsplaats is uiteindelijk nooit gebruikt, omdat de streek te dicht bevolkt was en te gevaarlijk voor droppings.

Henri Neirynck was één van de leiders van de groep Beernem, en de feitelijke leider van het verzet op het domein. Hij werd zijn companen de ‘vader’ van ‘de Maquis’ genoemd. Maar ook zoon Lucien was lid van deze verzetsgroep, net als enkele van zijn broers, zussen en schoonbroers.

Op zoek naar vader Henri, maar zoon Lucien gearresteerd

In de nacht van 17 op 18 juli 1944 kwamen de Duitsers Henri zoeken. Hij was niet aanwezig en kon aan arrestatie ontsnappen. Daarom werd zoon Lucien, die ziek te bed lag, aangehouden en de dag daarna al meteen naar Duitsland gedeporteerd. Hij kwam in Mauthausen terecht, een concentratiekamp in de buurt van Linz, in Oostenrijk. Hij werd meteen doorgestuurd naar Gusen, een bijkamp van het hoofdkamp Mauthausen. In Mauthausen werden de gevangenen tewerkgesteld in de plaatselijke steengroeve, waarvoor de gevangenen een trap van 186 treden moesten afdalen. Vele gevangenen lieten op die trap het leven. Rond Mauthausen zelf waren er nog meer dan 40 nevenkampen, waarvan Gusen, Ebensee en Melk de grootste waren.

Op 16 september werd Lucien Neirynck van Gusen terug naar Mauthausen getransporteerd. Hij overleed in Mauthausen, op 5 februari 1945, amper 17 jaar oud.

(Foto: Gevangenen verslepen blokken graniet op de “dodentrap”, foto genomen door de SS, ergens tussen 1942 en 1944. Foto NIOD, Amsterdam.)

Bronnen:

  • Toespraak Alain De Vlieghe, burgemeester Zuienkerke, bij de inhuldiging van de Struikelsteen, 19 november 2023 (gebaseerd op opzoekingswerk door Freddy en Marijke Verburgh).
  • Niet langer geheim. Willy Van Poucke. Uitgeverij Verbeke, 1987.
  • Wikipedia-bijdragers. (2025, 25 februari). Mauthausen (concentratiekamp). Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/wiki/Mauthausen_(concentratiekamp)